Wie deze maand een vergunningaanvraag voor een aanbouw inkijkt, herkent het patroon meteen. Op de tekening verschijnt zelden nog een metselwerkwand. In plaats daarvan staat een raster van verticale houten latten, soms vlak tegen elkaar, soms met openingen die het achterliggende membraan laten zien. De lattengevel is in een paar jaar opgeschoven van duurzaam alternatief naar de nieuwe standaard, en architecten geven baksteen pas mee als de welstandscommissie er expliciet om vraagt.
Waarom hout het nu wint van baksteen
Drie redenen schuiven boven elkaar. Bouwtempo is de eerste. Een prefab lattenpaneel staat in een dag of twee tegen het frame, terwijl een metselaar voor dezelfde wand drie weken nodig heeft inclusief uithardingstijd. De tweede reden is de stikstofbalans van het project. Een houten gevel scoort op vrijwel elke duurzaamheidsmodule beter dan baksteen, en bij verbouwingen met BENG- of MPG-toets scheelt dat soms net het laatste cijfer. Tot slot is het detail eenvoudiger. Een aanbouw met houtgevel hoeft niet exact aan te sluiten op de oude steen, want de architect zet er expliciet contrast tegenover. Dat scheelt offertes vol speciaal gebakken stenen die nooit perfect kleuren. Wie meer wil lezen over de bredere materiaalverschuiving, vindt context in het stuk over biobased materialen op de bouwplaats.
Welk hout architecten in 2026 voorschrijven
De keuzelijst is korter dan een jaar of vijf geleden. Tropisch hardhout staat zelden nog in een nieuw bestek, ook niet met FSC-keurmerk. Wat overblijft is grofweg vier opties. Thermowood, verhit vuren of grenen, blijft populair voor een zachtbruine uitstraling die geleidelijk vergrijst. Lariks is de prijs-prestatie-keuze, met een levensduur van rond de dertig jaar als het detail klopt. Accoya en robinia zitten in het premiumsegment, met respectievelijk een gegarandeerde vijftig jaar en een vrijwel onbreekbare hardheid. Profielafmetingen draaien rond de 28 bij 70 millimeter en 32 bij 90 millimeter, vrijwel altijd verticaal geplaatst zodat regenwater naar beneden afloopt zonder in de naden te blijven staan.
De afstand tussen de latten bepaalt alles
De keuze tussen een gesloten lattenwand en een open raster is de belangrijkste esthetische beslissing van het hele project, en wordt vaak in de keuken besproken nadat de aannemer al begonnen is. Een gesloten gevel met latten van enkele millimeters tussenruimte oogt strak en moderner. Een open raster met spleten van drie tot vijf centimeter laat licht en schaduw spelen en vraagt om een zwart EPDM-membraan erachter, want een witte folie vernietigt het effect meteen. Bij open lattenwerk is insectengaas aan de onderzijde verplicht, en bij wanden boven de zes meter gelden er extra brandwerende eisen vanwege de luchtholte erachter. Vraag dus altijd door op die details voor je tekent.
Onderhoud is minder werk dan iedereen denkt
De grootste misvatting bij houten gevels is dat ze elke twee jaar in de olie of beits moeten. Dat geldt bij geverfde rabatdelen, niet bij een onbehandelde lattengevel. Lariks en thermowood mogen vergrijzen tot een zilvergrijze of donkergrijze tint, en daarna gebeurt er weinig nieuws. Wat wel opvalt is het verschil per gevelzijde. De noordkant blijft jarenlang relatief donker en raakt lokaal aangetast door algen, terwijl de zuidzijde sneller en gelijkmatiger uitgrijst. Wie de oorspronkelijke kleur wil behouden, smeert eens per twee tot vier jaar een UV-blokkerende houtolie. Wie die discipline niet heeft, kiest beter voor de vergrijsde optie en accepteert het verloop.
Wat de aanbouw uiteindelijk kost
Per vierkante meter ruwbouw zit een lariksgevel inclusief regelwerk en folie rond de 130 tot 170 euro, een bakstenen voorzetwand op vergelijkbare opbouw rond de 180 tot 230 euro. Daar komen de loonuren bovenop, en juist die uren zijn bij hout veel korter. Een prefab paneel met de latten al gemonteerd kost tussen de 260 en 360 euro per vierkante meter, en die meerprijs verdient zich vaak terug in een kortere kraanperiode. Reken voor de hele aanbouw door dat de gevel grofweg vijftien procent van de totale bouwkosten uitmaakt, dus de uiteindelijke besparing valt zelden boven de paar duizend euro uit. Wie binnenstedelijk woont en boven de uitbouw uit wil, leest het stuk over optopping als alternatief, want daar zit een vergelijkbare rekensom achter. De winst zit hier in tijd, niet in geld.
Wat je morgen anders doet bij je eigen aanbouw
Voordat je de offerte tekent, drie vragen aan je architect. Welke houtsoort precies, en hoe is die gegarandeerd, want "houtlook" is een marketingterm en zegt niets. Welk profiel en welke afstand tussen de latten, want dat bepaalt of je over tien jaar nog blij bent. En wat staat er over de welstandstoets, want sommige gemeenten vragen alsnog metselwerk aan de straatzijde. Stop het verzoek bij twijfel als principeverzoek bij de gemeente, dat kost een paar honderd euro maar voorkomt dat je halverwege de bouw stilvalt. De rest is uiteindelijk smaak. Maar wie nu een aanbouw plant en koppig vasthoudt aan baksteen om alleen beleidsmatige redenen, loopt over een paar jaar zichtbaar achter in de wijk.