Architectuur

Architecten zien deze verbouwfout in elk jaren 30-huis

· 6 min leestijd

Vraag een architect wat hij als eerste doet wanneer hij binnenloopt in een jaren 30-huis dat op de schop gaat. Het antwoord verrast bijna iedereen. Hij tikt op de muren, duwt tegen de plinten, licht een hoekje behang op. Pas daarna pakt hij de bouwtekening erbij. Want in Nederlandse woningen van voor 1940 zit bijna altijd iets achter het pleisterwerk wat het huis waardevoller maakt dan wat er nu uitziet.

Precies dat is wat de meeste verbouwers over het hoofd zien. Ze willen snel, open en strak. De pleisterspuit komt tevoorschijn, de sloophamer erbovenop, en drie weken later staat er een ruimte waarin niets meer verwijst naar wat het huis ooit was. Soms terecht, vaak niet.

De tik-test die elke architect eerst doet

Het klinkt ouderwets, maar het werkt beter dan welke app of thermografische camera ook. Een jaren 30-muur heeft meerdere lagen: originele baksteen of stuc, een tussenlaag lijm of zachtboard, en een moderne gipsplaat met behang of spuitwerk. Tik je met een schroevendraaiersteel tegen de wand, dan hoor je precies hoeveel lagen eroverheen liggen. Hol betekent latere gipsplaat. Dof betekent origineel metselwerk of paneelwerk.

Op Reddit zijn hele draden te vinden van eigenaren die dankzij zo'n tik-test hun avond anders inrichtten. Ze prikten een kiertje, zagen een stukje houten paneelwand, en groeven voorzichtig verder. Wat eronder zat: schouwen met originele tegels, deurkozijnen met snijwerk, inbouwkasten met geslepen glas. Dingen die je in de bouwmarkt niet koopt voor minder dan een paar duizend euro.

Waarom vijftig jaar verbouwen alles verstopt heeft

In de jaren 60 en 70 was Nederland weg van alles wat ouderwets oogde. Schoorstenen werden dichtgemetseld, paneeldeuren kregen gladde platen erop gelijmd, glas-in-lood verdween in één weekend voor dubbel isolatieglas zonder roedes. In de jaren 90 kreeg alles wit latex. En de eerste tien jaar van deze eeuw lijmden we er gipsplaten overheen voor extra isolatie. Laagje op laagje werd het karakter onzichtbaar.

Dat betekent: de kans dat er onder jouw gladde wand nog iets origineels schuilt, is groter dan je denkt. Zeker in straten die voor 1935 zijn gebouwd. De Amsterdamse Pijp, het Haagse Statenkwartier, Rotterdam Blijdorp, Utrecht Wittevrouwen. Hele wijken waarin huizen ogenschijnlijk gemoderniseerd zijn maar in werkelijkheid gewoon zijn dichtgesmeerd. Veel van die woningen komen voort uit de bouwstijl van de Amsterdamse School, waarin ambachtelijke details standaard in het ontwerp zaten en dus nog altijd onder het modernere laagwerk kunnen liggen.

Waar je moet zoeken en hoe je dat aanpakt

Architecten beginnen niet willekeurig. Ze weten waar de verborgen elementen zitten. De meest kansrijke plekken:

  • De schoorsteenwand in de woonkamer. Vaak dichtgemetseld, maar de originele schouw en betegeling zitten er doorgaans nog achter. Tik en voel naar een temperatuurverschil.
  • De overgang tussen voor- en achterkamer. Hier zat vroeger meestal een kamer-en-suite met schuifdeuren. De ombouw en pilasters zijn meestal nog aanwezig in plafond en vloer.
  • Onder de onderste traptrede. Profielen en houten plinten verdwijnen vaak onder laminaat en stroken mdf.
  • Achter de keukenkastjes. Niet zelden zit daar nog een oud aanrechtblad of een originele betegeling in groen of oker.
  • De raampartij aan de voorkant. Onder het houtwerk van moderne kozijnen ligt vaak nog het originele glas-in-lood of een erkerconstructie die deels intact is.

Check ook even onder een hoek van het behang. Met een stanleymes snijd je een driehoekje open, vastplakken gaat later makkelijker dan je denkt. Licht een vloerplank op waar het niet opvalt. Vijf minuten werk. Soms een avond vol vondsten.

Behouden, restaureren of alsnog verwijderen

Niet alles wat je vindt is het bewaren waard. Een rotte balk uit de jaren 30 blijft een rotte balk. Een schouw met verpulverde tegels is niet altijd te redden. Maar voordat je beslist, laat er iemand naar kijken die het verschil ziet. Een glas-in-lood-raam uit 1932 met zuidoriëntatie levert in perfecte staat rustig 3.000 tot 7.000 euro waardevermeerdering op bij verkoop. Dat is niet te evenaren met welk moderner kozijn dan ook.

De simpele regel die architecten hanteren: alles wat met de hand gemaakt is, restaureren. Alles wat machinaal vervangbaar is, mag weg. Paneeldeuren, glas-in-lood, kastenwanden met snijwerk, vloertegels met patronen vallen onder de eerste categorie. Dichtgemetselde schoorstenen die nog functioneel zijn, vallen ook vaak onder behouden, al was het maar omdat ze later weer open mogen voor een houtkachel of bio-ethanol-unit.

Wat dit betekent voor je verbouwplan

De meeste verbouwers maken eerst een plan en pakken dan de sloophamer. In een vooroorlogs huis draai je die volgorde om. Eerst drie uur kloppen en prikken door het hele huis. Foto's maken van alles wat je tegenkomt. Dan pas met de architect om tafel, bouwtekening ernaast, en beslissen welke elementen het plan gaan bepalen en welke niet. Dat scheelt vaak geld, want een originele erker behouden is goedkoper dan hem slopen en een dichte gevel terugmetselen. Een bestaande schouw openmaken kost minder dan een nieuwe bouwen.

En het geeft je huis iets wat je in geen enkele showroom terugkoopt: een laag geschiedenis die het karakter maakt. Dat is precies waarom bogen en gewelven juist in Nederlandse verbouwingen terugkomen en waarom de grijze verbouwing aan populariteit inboet. Mensen willen weer voelen dat een huis ergens vandaan komt. Strakke witte volumes zijn modegevoelig geworden, een geopende kamer-en-suite met originele pilasters is dat niet.

De verbouwfout is dus niet slopen op zich. De fout is slopen voordat je weet wat je sloopt. Een verloren glas-in-lood-raam komt nooit meer terug. Een originele schouw evenmin. Kloppen voordat je met de sloophamer zwaait kost één avond. Het kan je huis een karakter geven dat vijftig jaar nieuwbouw niet evenaart.

I
Geschreven door Ilias Tahiri Architectuur schrijver

Ilias is architect die kleine ruimtes groot laat voelen, een talent dat hij ontwikkelde toen hij als student in een Amsterdams appartement van 28 vierkante meter woonde en ontdekte dat noodzaak echt de moeder van uitvinding is. Hij schrijft over ruimtelijke oplossingen, plattegronden en waarom die open keuken misschien toch niet zo'n goed idee was — een mening die hem niet populair maakt op feestjes, maar die elke bewoner van een open keuken stiekem beaamt als de visgeur door het hele huis trekt. Ilias studeerde architectuur in Delft en werkte bij meerdere bureaus voordat hij zich specialiseerde in woningrenovatie. Hij gelooft dat goed ontwerp niet gaat om vierkante meters maar om hoe je ze gebruikt, en schrijft met de overtuiging dat een slimme plattegrond meer verschil maakt dan een dure verbouwing. Zijn tekentafel is inmiddels digitaal, maar zijn oog voor ruimte is nog altijd analoog.